Lekcja uzupelniajaca nr 2

 0    21 fiche    justynagintowtveghel
Télécharger mP3 Imprimer jouer consultez
 
question réponse
nosic, miec na sobie
commencer à apprendre
dragen, aan hebben (ik heb aan, jij hebt aan, hij heeft aan, wij hebben aan)
Często noszę dżinsy.
commencer à apprendre
Ik draag vaak een spijkerbroek.
Noszę okulary
commencer à apprendre
Ik draag een bril.
W pracy noszę buty ochronne
commencer à apprendre
Op mijn werk draag ik veiligheidsschoenen
Ona lubi nosić sukienki
commencer à apprendre
Zij draagt graag jurken.
Zimą noszę ciepłą kurtkę
commencer à apprendre
In de winter draag ik een warme jas
Mam dzisiaj na sobie czarne spodnie.
commencer à apprendre
Ik heb vandaag een zwarte broek aan
Co masz na sobie?
commencer à apprendre
Wat heb je aan?
Mam na sobie nową sukienkę.
commencer à apprendre
Ik draag een nieuwe jurk.
On ma na sobie niebieski sweter
commencer à apprendre
Hij draagt een blauwe trui.
Masz na sobie kurtkę?
commencer à apprendre
Heb je je jas aan?
Co zazwyczaj nosisz?
commencer à apprendre
Wat draag je meestal?
Co masz dzisiaj na sobie?
commencer à apprendre
Wat draag je vandaag? Wat heb je vandaag aan?
ubierac sie
commencer à apprendre
aankleden
Ubieram się.
commencer à apprendre
Ik kleed me aan.
Rano szybko się ubieram.
commencer à apprendre
's Ochtends kleed ik me snel aan.
Muszę się jeszcze ubrać.
commencer à apprendre
Ik moet me nog aankleden.
Ubierz się szybko!
commencer à apprendre
Kleed je snel aan!
Dawid ubiera się sam.
commencer à apprendre
Dawid kleedt zich zelf aan.
Ubieram moje dziecko.
commencer à apprendre
Ik kleed mijn baby aan.
Już się ubrałam.
commencer à apprendre
Ik heb me al aangekleed

Vous devez vous connecter pour poster un commentaire.