9 - Mieszkanie oraz sąsiedzi

 0    80 fiche    bartoszkowalewski90
Télécharger mP3 Imprimer jouer consultez
 
question réponse
Woont u hier al ___?
Czy mieszka pan tutaj od dawna?
commencer à apprendre
Woont u hier al lang?
Ja, al vijf jaar. | Nee, pas sinds vorige maand.
lang
Bent u hier net komen ___?
Czy dopiero się pan tutaj wprowadził?
commencer à apprendre
Bent u hier net komen wonen?
Ja, vorige week. | Nee, ik woon hier al een tijdje.
wonen
Woont u ook in dit ___?
Czy pan również mieszka w tym budynku?
commencer à apprendre
Woont u ook in dit gebouw?
Ja, op de tweede verdieping. | Nee, ik kom alleen op bezoek.
gebouw
Heeft u zich al aan de buren ___?
Czy przedstawił się pan już sąsiadom?
commencer à apprendre
Heeft u zich al aan de buren voorgesteld?
Ja, ik heb even aangebeld. | Nog niet, maar dat wil ik binnenkort doen.
voorgesteld
Heeft u misschien een ___?
Czy ma pan chwilkę?
commencer à apprendre
Heeft u misschien een momentje?
Ja hoor, zeg het maar. | Nu even niet, kan het straks?
momentje
Mag ik u iets ___?
Czy mogę pana o coś zapytać?
commencer à apprendre
Mag ik u iets vragen?
Ja hoor, natuurlijk. | Ik moet nu weg, kan het later?
vragen
Heeft u er ___ van?
Czy to panu przeszkadza?
commencer à apprendre
Heeft u er last van?
Ja, vooral ’s avonds. | Nee hoor, helemaal niet.
last
Ik hoop dat ik u niet ___.
Mam nadzieję, że nie przeszkadzam.
commencer à apprendre
Ik hoop dat ik u niet stoor.
Nee hoor, u stoort niet. | Ik ben net bezig, kan het straks?
stoor
Kunt u me met deze kast even ___?
Czy może mi pan na chwilę pomóc z tą szafą?
commencer à apprendre
Kunt u me met deze kast even helpen?
Ja hoor, wat moet ik doen? | Sorry, ik kan nu helaas niet.
helpen
Zullen we even ___?
Może się krótko poznamy?
commencer à apprendre
Zullen we even kennismaken?
Ja, gezellig! | Ik heb nu haast, misschien later.
kennismaken
Bent u uw ___ kwijt?
Czy zgubił pan klucz?
commencer à apprendre
Bent u uw sleutel kwijt?
Ja, ik kan hem nergens vinden. | Nee, ik heb hem gelukkig nog.
sleutel
De voordeur gaat niet goed ___.
Drzwi wejściowe nie domykają się dobrze.
commencer à apprendre
De voordeur gaat niet goed dicht.
Ik zal het even doorgeven. | Bij mij ging hij net wel dicht.
dicht
Kunt u de deur even ___?
Czy może pan na chwilę przytrzymać drzwi?
commencer à apprendre
Kunt u de deur even openhouden?
Natuurlijk, loopt u maar door. | Eén momentje, ik heb mijn handen vol.
openhouden
Werkt de ___ bij u?
Czy działa u pana dzwonek do drzwi?
commencer à apprendre
Werkt de deurbel bij u?
Ja, bij mij doet hij het. | Nee, hij is al dagen kapot.
deurbel
Weet u waar de ___ zit?
Czy wie pan, gdzie jest szafka z licznikami?
commencer à apprendre
Weet u waar de meterkast zit?
Ja, in de gang links. | Nee, dat weet ik helaas niet.
meterkast
Mijn sleutel past niet in het ___.
Mój klucz nie pasuje do zamka.
commencer à apprendre
Mijn sleutel past niet in het slot.
Probeer de sleutel eens andersom. | Dan moet het slot misschien worden nagekeken.
slot
Kan ik een extra sleutel laten ___?
Czy mogę dorobić dodatkowy klucz?
commencer à apprendre
Kan ik een extra sleutel laten bijmaken?
Ja, vraag het even aan de beheerder. | Voor die sleutel is toestemming nodig.
bijmaken
De ___ doet het niet.
Winda nie działa.
commencer à apprendre
De lift doet het niet.
Ik heb het ook gemerkt. | Vreemd, vanochtend werkte hij nog.
lift
Mag ik mijn fiets hier ___?
Czy mogę tutaj postawić rower?
commencer à apprendre
Mag ik mijn fiets hier neerzetten?
Ja, als de doorgang vrij blijft. | Nee, fietsen moeten buiten staan.
neerzetten
Waar kan ik de kinderwagen ___?
Gdzie mogę zostawić wózek dziecięcy?
commencer à apprendre
Waar kan ik de kinderwagen stallen?
In de berging naast de ingang. | Vraag het even aan de beheerder.
stallen
Is de ___ bij de huur inbegrepen?
Czy komórka lokatorska jest wliczona w najem?
commencer à apprendre
Is de berging bij de huur inbegrepen?
Ja, die hoort bij het appartement. | Nee, die huur je apart.
berging
Kunt u het ___ achter u sluiten?
Czy może pan zamknąć za sobą bramkę?
commencer à apprendre
Kunt u het hek achter u sluiten?
Ja hoor, natuurlijk. | O, sorry, ik was het vergeten.
hek
Hebt u het ___ gehoord?
Czy słyszał pan alarm?
commencer à apprendre
Hebt u het alarm gehoord?
Ja, het ging net af. | Nee, ik heb niets gehoord.
alarm
Mogen de ramen in de hal ___?
Czy okna na klatce schodowej mogą być otwarte?
commencer à apprendre
Mogen de ramen in de hal open?
Ja, voor wat frisse lucht. | Liever niet, het regent naar binnen.
open
De verwarming wordt niet ___.
Kaloryfery nie robią się ciepłe.
commencer à apprendre
De verwarming wordt niet warm.
Ik zal de monteur bellen. | Probeer de thermostaat iets hoger te zetten.
warm
Heeft u ook geen ___ water?
Czy pan też nie ma ciepłej wody?
commencer à apprendre
Heeft u ook geen warm water?
Nee, bij mij is het ook koud. | Jawel, bij mij werkt het gewoon.
warm
De kraan blijft maar ___.
Kran ciągle przecieka.
commencer à apprendre
De kraan blijft maar lekken.
Dan moet er iemand komen kijken. | Probeer hem voorlopig goed dicht te draaien.
lekken
Er zit een ___ in de afvoer.
W odpływie jest zator.
commencer à apprendre
Er zit een verstopping in de afvoer.
Ik zal een loodgieter bellen. | Hebt u al geprobeerd de afvoer schoon te maken?
verstopping
De wc spoelt niet goed ___.
Toaleta nie spłukuje dobrze.
commencer à apprendre
De wc spoelt niet goed door.
Dat klinkt als een verstopping. | Misschien helpt het om de stortbak te controleren.
door
Het licht in de badkamer ___.
Światło w łazience miga.
commencer à apprendre
Het licht in de badkamer knippert.
Dat kan aan de lamp liggen. | Ik zal het doorgeven aan de verhuurder.
knippert
Is de stroom bij u ook ___?
Czy u pana również zabrakło prądu?
commencer à apprendre
Is de stroom bij u ook uitgevallen?
Ja, sinds een paar minuten. | Nee, hier werkt alles nog.
uitgevallen
De ___ is doorgeslagen.
Wybiło bezpiecznik.
commencer à apprendre
De zekering is doorgeslagen.
Ik zal even in de meterkast kijken. | Misschien staan er te veel apparaten tegelijk aan.
zekering
Er zit ___ op de muur.
Na ścianie jest pleśń.
commencer à apprendre
Er zit schimmel op de muur.
Dat moet snel worden aangepakt. | Hebt u er al foto’s van gemaakt?
schimmel
Het ___ kan niet meer dicht.
Okno nie daje się już zamknąć.
commencer à apprendre
Het raam kan niet meer dicht.
Ik stuur een monteur langs. | Misschien zit het kozijn vast.
raam
De ___ maakt veel lawaai.
Okap kuchenny bardzo hałasuje.
commencer à apprendre
De afzuigkap maakt veel lawaai.
Dan moet hij nagekeken worden. | Bij mij klinkt hij ook zo.
afzuigkap
Kunt u een ___ sturen?
Czy może pan przysłać fachowca?
commencer à apprendre
Kunt u een monteur sturen?
Ja, ik plan een afspraak in. | Helaas is er vandaag niemand beschikbaar.
monteur
Wanneer wordt de lekkage ___?
Kiedy przeciek zostanie naprawiony?
commencer à apprendre
Wanneer wordt de lekkage gerepareerd?
Morgen komt er iemand langs. | We hebben nog geen datum.
gerepareerd
Moet ik hiervoor zelf ___?
Czy muszę sam za to zapłacić?
commencer à apprendre
Moet ik hiervoor zelf betalen?
Nee, dit valt onder het onderhoud. | Ja, dit is voor uw eigen rekening.
betalen
Zal ik er een foto van ___?
Czy mam zrobić temu zdjęcie?
commencer à apprendre
Zal ik er een foto van maken?
Ja graag, dan kan ik het zien. | Nee, een beschrijving is voldoende.
maken
Ik wil graag een ___ melden.
Chciałbym zgłosić awarię.
commencer à apprendre
Ik wil graag een storing melden.
Waar gaat het precies om? | Hebt u daar al eerder over gebeld?
storing
Hebt u ook last van het ___?
Czy panu również przeszkadza ten hałas?
commencer à apprendre
Hebt u ook last van het lawaai?
Ja, vooral ’s nachts. | Nee, ik hoor eigenlijk niets.
lawaai
Kunt u de muziek iets ___ zetten?
Czy może pan trochę ściszyć muzykę?
commencer à apprendre
Kunt u de muziek iets zachter zetten?
Natuurlijk, sorry daarvoor. | Het staat al vrij zacht, maar ik zal kijken.
zachter
Is het geluid bij u ook zo ___?
Czy u pana również jest tak głośno?
commencer à apprendre
Is het geluid bij u ook zo hard?
Ja, ik hoor het door de muur. | Nee, hier valt het mee.
hard
Tot hoe laat duurt het ___?
Do której potrwa impreza?
commencer à apprendre
Tot hoe laat duurt het feestje?
Waarschijnlijk tot middernacht. | We zijn bijna klaar.
feestje
Sorry voor de ___.
Przepraszam za uciążliwości.
commencer à apprendre
Sorry voor de overlast.
Geen probleem, kan gebeuren. | Bedankt, maar het was wel erg laat.
overlast
Er wordt hier vaak hard ___.
Tutaj często ktoś głośno wierci.
commencer à apprendre
Er wordt hier vaak hard geboord.
Ja, het is al de hele week bezig. | Dat komt waarschijnlijk door de verbouwing.
geboord
We zijn het appartement aan het ___.
Robimy remont mieszkania.
commencer à apprendre
We zijn het appartement aan het verbouwen.
Hoelang gaan de werkzaamheden duren? | Bedankt dat u het even laat weten.
verbouwen
Mag ik morgen wat vroeger ___?
Czy mogę jutro zacząć trochę wcześniej?
commencer à apprendre
Mag ik morgen wat vroeger beginnen?
Ja hoor, geen probleem. | Liever niet vóór acht uur.
beginnen
Zou u de gang vrij willen ___?
Czy mógłby pan zostawić przejście na korytarzu wolne?
commencer à apprendre
Zou u de gang vrij willen houden?
Natuurlijk, ik haal mijn spullen weg. | Die kast kan ik niet in mijn eentje verplaatsen.
houden
Wie maakt het trappenhuis ___?
Kto sprząta klatkę schodową?
commencer à apprendre
Wie maakt het trappenhuis schoon?
Daar komt elke week een schoonmaker voor. | Volgens mij doen bewoners dat om de beurt.
schoon
Is die fiets van ___?
Czy to pana rower?
commencer à apprendre
Is die fiets van u?
Ja, dat is mijn fiets. | Nee, ik weet niet van wie die is.
u
Mag ik de ___ na u gebruiken?
Czy mogę użyć pralki po panu?
commencer à apprendre
Mag ik de wasmachine na u gebruiken?
Ja hoor, ik ben bijna klaar. | Sorry, ik heb nog een was te doen.
wasmachine
Heeft u iets op de galerij laten ___?
Czy zostawił pan coś na galerii przed mieszkaniami?
commencer à apprendre
Heeft u iets op de galerij laten staan?
Ja, ik haal het meteen weg. | Nee, dat is niet van mij.
staan
Hebt u de ___ gelezen?
Czy przeczytał pan regulamin budynku?
commencer à apprendre
Hebt u de huisregels gelezen?
Ja, ik heb ze gekregen bij het contract. | Nee, waar kan ik ze vinden?
huisregels
Heeft u misschien een pakketje voor me ___?
Czy może odebrał pan dla mnie paczkę?
commencer à apprendre
Heeft u misschien een pakketje voor me aangenomen?
Ja, het staat bij mij binnen. | Nee, ik heb niets aangenomen.
aangenomen
Kunt u mijn pakketje even ___?
Czy może pan odebrać moją paczkę?
commencer à apprendre
Kunt u mijn pakketje even aannemen?
Ja hoor, als ik thuis ben. | Nee sorry, ik ben de hele dag weg.
aannemen
Is er vandaag een ___ geweest?
Czy był dziś kurier?
commencer à apprendre
Is er vandaag een bezorger geweest?
Ja, rond twee uur. | Nee, ik heb niemand gezien.
bezorger
Ik heb een briefje in de ___ gevonden.
Znalazłem karteczkę w skrzynce pocztowej.
commencer à apprendre
Ik heb een briefje in de brievenbus gevonden.
Staat erop waar het pakket ligt? | Misschien is het van de bezorger.
brievenbus
Wanneer kan ik het pakket ___?
Kiedy mogę odebrać paczkę?
commencer à apprendre
Wanneer kan ik het pakket ophalen?
Vanavond na zes uur. | Morgen ben ik de hele dag thuis.
ophalen
Staat uw naam op de ___?
Czy pana nazwisko jest na dzwonku?
commencer à apprendre
Staat uw naam op de deurbel?
Ja, naast de bovenste knop. | Nee, dat moet ik nog regelen.
deurbel
Het pakket is bij de buren ___.
Paczka została dostarczona do sąsiadów.
commencer à apprendre
Het pakket is bij de buren afgeleverd.
Dan ga ik daar even aanbellen. | Vreemd, ik was de hele dag thuis.
afgeleverd
Kunt u het pakket voor de deur ___?
Czy może pan zostawić paczkę przed drzwiami?
commencer à apprendre
Kunt u het pakket voor de deur neerzetten?
Ja, als u dat wilt. | Nee, hiervoor moet u tekenen.
neerzetten
Heeft u mijn ___ toevallig gezien?
Czy widział pan może moją pocztę?
commencer à apprendre
Heeft u mijn post toevallig gezien?
Ja, er lag iets voor u in de hal. | Nee, ik heb niets gezien.
post
Ik denk dat deze brief verkeerd is ___.
Chyba ten list dostarczono pod zły adres.
commencer à apprendre
Ik denk dat deze brief verkeerd is bezorgd.
O, die is inderdaad niet voor mij. | Dan kunt u hem teruggeven aan de postbezorger.
bezorgd
Wat is bij de huurprijs ___?
Co jest wliczone w czynsz najmu?
commencer à apprendre
Wat is bij de huurprijs inbegrepen?
Water en verwarming zijn inbegrepen. | Alleen de kale huur, de rest betaalt u apart.
inbegrepen
Is dit bedrag inclusief ___?
Czy ta kwota obejmuje opłaty administracyjne?
commencer à apprendre
Is dit bedrag inclusief servicekosten?
Ja, alles zit erbij. | Nee, die komen er nog bovenop.
servicekosten
Wanneer moet de huur ___ worden?
Kiedy trzeba zapłacić czynsz?
commencer à apprendre
Wanneer moet de huur betaald worden?
Uiterlijk op de eerste van de maand. | Dat staat in uw huurcontract.
betaald
Mag ik de ___ rechtstreeks bellen?
Czy mogę zadzwonić bezpośrednio do wynajmującego?
commencer à apprendre
Mag ik de verhuurder rechtstreeks bellen?
Ja, ik stuur u het nummer. | Meld het liever eerst bij de beheerder.
verhuurder
Ik wil graag iets over mijn ___ vragen.
Chciałbym o coś zapytać w sprawie umowy najmu.
commencer à apprendre
Ik wil graag iets over mijn huurcontract vragen.
Natuurlijk, wat wilt u weten? | Kunt u uw vraag even mailen?
huurcontract
Moet ik de ___ zelf vergoeden?
Czy muszę sam pokryć szkodę?
commencer à apprendre
Moet ik de schade zelf vergoeden?
Dat hangt af van hoe het is ontstaan. | Nee, dat wordt door de verzekering gedekt.
schade
Krijg ik mijn ___ terug?
Czy odzyskam kaucję?
commencer à apprendre
Krijg ik mijn borg terug?
Ja, na de eindinspectie. | Dat hangt af van de staat van de woning.
borg
Kan ik mijn huurcontract ___?
Czy mogę wypowiedzieć umowę najmu?
commencer à apprendre
Kan ik mijn huurcontract opzeggen?
Ja, met de afgesproken opzegtermijn. | Houd wel rekening met de voorwaarden.
opzeggen
Wanneer is de ___ van de woning?
Kiedy odbędzie się kontrola mieszkania?
commencer à apprendre
Wanneer is de inspectie van de woning?
Volgende dinsdag om tien uur. | De afspraak moet nog worden ingepland.
inspectie
Mag ik de muren zelf ___?
Czy mogę sam pomalować ściany?
commencer à apprendre
Mag ik de muren zelf schilderen?
Ja, maar overleg eerst even. | Nee, daar is toestemming voor nodig.
schilderen
Waar moet ik het afval ___?
Gdzie powinienem wyrzucać śmieci?
commencer à apprendre
Waar moet ik het afval weggooien?
In de containers achter het gebouw. | Dat verschilt per soort afval.
weggooien
Wanneer wordt het oud papier ___?
Kiedy odbierana jest makulatura?
commencer à apprendre
Wanneer wordt het oud papier opgehaald?
Morgen volgens de afvalkalender. | Dat weet ik niet, kijk even op de website.
opgehaald
Moet plastic apart worden ___?
Czy plastik trzeba zbierać osobno?
commencer à apprendre
Moet plastic apart worden ingezameld?
Ja, daar staat een aparte container voor. | Nee, hier mag het bij het restafval.
ingezameld
Hebben jullie nog ___ dat weg moet?
Czy macie jeszcze odpady wielkogabarytowe do wyrzucenia?
commencer à apprendre
Hebben jullie nog grofvuil dat weg moet?
Ja, er staat nog een oude kast. | Nee, alles is al afgevoerd.
grofvuil
Mag ik de lift voor mijn verhuizing ___?
Czy mogę zarezerwować windę na czas przeprowadzki?
commencer à apprendre
Mag ik de lift voor mijn verhuizing reserveren?
Ja, meld de datum bij de beheerder. | Nee, de lift kan niet worden gereserveerd.
reserveren
Kunt u me helpen deze kast te ___?
Czy może mi pan pomóc podnieść tę szafę?
commencer à apprendre
Kunt u me helpen deze kast te tillen?
Natuurlijk, welke kant zal ik pakken? | Sorry, mijn rug doet pijn.
tillen

Vous devez vous connecter pour poster un commentaire.