17 - Nieporozumienia i trudne sytuacje

 0    80 fiche    bartoszkowalewski90
Télécharger mP3 Imprimer jouer consultez
 
question réponse
Kunt u het ___ stukje nog even herhalen?
Czy może pan powtórzyć ostatni fragment?
commencer à apprendre
Kunt u het laatste stukje nog even herhalen?
Ja hoor, ik zei dat de afspraak vervalt. | Sorry, welk stukje bedoelt u precies?
laatste
Zou u iets ___ kunnen komen?
Czy mógłby pan podejść trochę bliżej?
commencer à apprendre
Zou u iets dichterbij kunnen komen?
Ja hoor, ik kom eraan. | Sorry, ik kan hier niet weg.
dichterbij
Praat ik soms te ___?
Czy mówię za szybko?
commencer à apprendre
Praat ik soms te snel?
Ja, een klein beetje. | Nee hoor, ik kan je prima volgen.
snel
Is het hier altijd zo ___?
Czy zawsze jest tu tak głośno?
commencer à apprendre
Is het hier altijd zo lawaaierig?
Ja, vooral rond lunchtijd. | Nee, normaal is het veel rustiger.
lawaaierig
Kunt u dat woord wat ___ uitspreken?
Czy może pan wymówić to słowo wyraźniej?
commencer à apprendre
Kunt u dat woord wat duidelijker uitspreken?
Natuurlijk, ik zal het langzaam zeggen. | Sorry, ik weet niet goed hoe je het uitspreekt.
duidelijker
Moet ik dat laatste woord ___?
Czy powinienem zapisać to ostatnie słowo?
commencer à apprendre
Moet ik dat laatste woord opschrijven?
Ja, dat is handig. | Nee hoor, dat hoeft niet.
opschrijven
Wat verstaat u onder dat ___?
Co pan rozumie przez to pojęcie?
commencer à apprendre
Wat verstaat u onder dat begrip?
Ik bedoel de totale kosten. | Dat leg ik graag even uit.
begrip
Kunt u wat minder ___ gebruiken?
Czy może pan używać mniej specjalistycznego żargonu?
commencer à apprendre
Kunt u wat minder vaktaal gebruiken?
Natuurlijk, ik zal het eenvoudiger uitleggen. | Ik zal het proberen, maar sommige termen zijn lastig te vermijden.
vaktaal
Mag ik even controleren of ik het goed heb ___?
Czy mogę sprawdzić, czy dobrze usłyszałem?
commencer à apprendre
Mag ik even controleren of ik het goed heb verstaan?
Ja, vertel maar wat je hebt gehoord. | Natuurlijk, dan weten we zeker dat het klopt.
verstaan
Heb ik het verkeerd ___?
Czy źle to zinterpretowałem?
commencer à apprendre
Heb ik het verkeerd opgevat?
Ja, ik bedoelde het anders. | Nee, je hebt het goed begrepen.
opgevat
Gaat het om vandaag of om ___?
Czy chodzi o dziś czy o jutro?
commencer à apprendre
Gaat het om vandaag of om morgen?
Om vandaag, alsjeblieft. | Ik bedoelde morgen.
morgen
Bedoelt u inclusief of ___ btw?
Czy kwota jest z VAT czy bez VAT?
commencer à apprendre
Bedoelt u inclusief of exclusief btw?
De prijs is inclusief btw. | Dit bedrag is nog zonder btw.
exclusief
Kunt u aangeven wat er precies ___ is?
Czy może pan wskazać, co dokładnie się zmieniło?
commencer à apprendre
Kunt u aangeven wat er precies veranderd is?
Alleen het tijdstip is anders. | De prijs en de voorwaarden zijn aangepast.
veranderd
Is dat definitief of nog onder ___?
Czy to już ostateczne, czy jeszcze warunkowe?
commencer à apprendre
Is dat definitief of nog onder voorbehoud?
Het is al definitief. | Nee, het moet nog bevestigd worden.
voorbehoud
Heb ik iets over het ___ gezien?
Czy coś przeoczyłem?
commencer à apprendre
Heb ik iets over het hoofd gezien?
Ja, er staat nog een opmerking onderaan. | Nee hoor, dat is alles.
hoofd
Kunt u me laten zien waar dat ___?
Czy może mi pan pokazać, gdzie to jest napisane?
commencer à apprendre
Kunt u me laten zien waar dat staat?
Ja, op de tweede pagina. | Ik zoek het even voor u op.
staat
Waarom staat er een ander ___ op de factuur?
Dlaczego na fakturze widnieje inna kwota?
commencer à apprendre
Waarom staat er een ander bedrag op de factuur?
Er zijn extra kosten bijgekomen. | Dat lijkt een fout van ons te zijn.
bedrag
Waarop ___ u die beslissing?
Na czym opiera pan tę decyzję?
commencer à apprendre
Waarop baseert u die beslissing?
Op de gegevens die we hebben. | Dat moet ik even navragen.
baseert
Hoe ___ bent u daarvan?
Na ile jest pan tego pewien?
commencer à apprendre
Hoe zeker bent u daarvan?
Vrij zeker, ik heb het nagekeken. | Nog niet helemaal, ik moet het controleren.
zeker
Zullen we het even op een ___ zetten?
Może uporządkujemy to wszystko po kolei?
commencer à apprendre
Zullen we het even op een rijtje zetten?
Ja, laten we bij het begin beginnen. | Liever straks, ik moet nu weg.
rijtje
Volgens mij is hier iets door elkaar ___.
Wydaje mi się, że coś tutaj pomylono.
commencer à apprendre
Volgens mij is hier iets door elkaar gehaald.
O, dat zou best kunnen. | Nee, dit zijn echt twee verschillende dingen.
gehaald
Is dit voor iemand anders ___?
Czy to jest przeznaczone dla kogoś innego?
commencer à apprendre
Is dit voor iemand anders bedoeld?
Ja, voor mijn collega. | Nee, het is juist voor jou.
bedoeld
U hebt waarschijnlijk het verkeerde nummer ___.
Prawdopodobnie wybrał pan zły numer.
commencer à apprendre
U hebt waarschijnlijk het verkeerde nummer gekozen.
O, excuses voor het storen. | Dan heb ik me vast vergist.
gekozen
Mijn naam staat verkeerd ___.
Moje imię lub nazwisko jest źle zapisane.
commencer à apprendre
Mijn naam staat verkeerd gespeld.
Sorry, hoe moet ik het spellen? | Dat passen we meteen aan.
gespeld
Er klopt iets niet met de ___.
Coś się nie zgadza z zamówieniem.
commencer à apprendre
Er klopt iets niet met de bestelling.
Wat is er precies mis? | Ik kijk de bestelling even na.
bestelling
Heb ik het ___ formulier ingevuld?
Czy wypełniłem właściwy formularz?
commencer à apprendre
Heb ik het juiste formulier ingevuld?
Ja, dit is het goede formulier. | Nee, u hebt een andere versie nodig.
juiste
Is de verkeerde datum ___?
Czy przekazano błędną datę?
commencer à apprendre
Is de verkeerde datum doorgegeven?
Ja, er is een fout gemaakt. | Nee, de datum is correct.
doorgegeven
Kunnen we dat misverstand even ___?
Czy możemy wyjaśnić to nieporozumienie?
commencer à apprendre
Kunnen we dat misverstand even rechtzetten?
Ja, laten we het rustig bespreken. | Ik heb nu geen tijd, kunnen we later bellen?
rechtzetten
Mag ik mezelf even ___?
Czy mogę się poprawić?
commencer à apprendre
Mag ik mezelf even corrigeren?
Ja hoor, ga je gang. | Natuurlijk, wat bedoelde je precies?
corrigeren
Zullen we opnieuw beginnen om ___ te voorkomen?
Może zaczniemy od nowa, żeby uniknąć zamieszania?
commencer à apprendre
Zullen we opnieuw beginnen om verwarring te voorkomen?
Ja, dat lijkt me verstandig. | Liever niet, laten we eerst één vraag oplossen.
verwarring
Kunt u me helpen dit probleem op te ___?
Czy może pan pomóc mi rozwiązać ten problem?
commencer à apprendre
Kunt u me helpen dit probleem op te lossen?
Natuurlijk, wat is er gebeurd? | Ik ben bang dat ik u moet doorverwijzen.
lossen
Wie kan ik hierover ___?
Do kogo mogę się zwrócić w tej sprawie?
commencer à apprendre
Wie kan ik hierover aanspreken?
Mijn collega bij de balie. | U kunt het beste naar de leidinggevende vragen.
aanspreken
Kunt u aangeven hoe lang het nog ___?
Czy może pan powiedzieć, ile to jeszcze potrwa?
commencer à apprendre
Kunt u aangeven hoe lang het nog duurt?
Ongeveer tien minuten. | Dat kan ik helaas nog niet zeggen.
duurt
Kan dit zonder extra ___ worden opgelost?
Czy można to rozwiązać bez dodatkowych opłat?
commencer à apprendre
Kan dit zonder extra kosten worden opgelost?
Ja, dat valt onder onze service. | Nee, daar rekenen we helaas wel iets voor.
kosten
Is er een ___ oplossing mogelijk?
Czy możliwe jest rozwiązanie tymczasowe?
commencer à apprendre
Is er een tijdelijke oplossing mogelijk?
Ja, u kunt een reserveapparaat lenen. | Nee, op dit moment helaas niet.
tijdelijke
Waarom is dit nog steeds niet ___?
Dlaczego nadal nie zostało to załatwione?
commencer à apprendre
Waarom is dit nog steeds niet geregeld?
We wachten nog op een onderdeel. | Het is helaas blijven liggen.
geregeld
Waar kan ik dit ___ melden?
Gdzie mogę zgłosić to na piśmie?
commencer à apprendre
Waar kan ik dit schriftelijk melden?
Via het contactformulier op de website. | U kunt ons een e-mail sturen.
schriftelijk
Kan ik een bevestiging op ___ krijgen?
Czy mogę otrzymać papierowe potwierdzenie?
commencer à apprendre
Kan ik een bevestiging op papier krijgen?
Ja, ik print het even uit. | Nee, we versturen alleen digitale bevestigingen.
papier
Wat zijn mijn ___ als dit niet lukt?
Jakie mam możliwości, jeśli to nie zadziała?
commencer à apprendre
Wat zijn mijn mogelijkheden als dit niet lukt?
We kunnen het opnieuw proberen. | Dan kunt u een andere oplossing aanvragen.
mogelijkheden
Kunt u dit alstublieft nog eens ___?
Czy może pan jeszcze raz to sprawdzić?
commencer à apprendre
Kunt u dit alstublieft nog eens nakijken?
Ja, ik kijk het meteen na. | Dat kan helaas pas morgen.
nakijken
Vindt u het goed als ik eerst even ___?
Czy mogę najpierw chwilę się zastanowić?
commencer à apprendre
Vindt u het goed als ik eerst even nadenk?
Ja, neem gerust de tijd. | We hebben helaas vandaag een antwoord nodig.
nadenk
Ik ga daar liever niet op ___.
Wolę nie poruszać tego tematu.
commencer à apprendre
Ik ga daar liever niet op in.
Dat begrijp ik, geen probleem. | Natuurlijk, we hoeven het er niet over te hebben.
in
Moet ik hier meteen een ___ over nemen?
Czy muszę od razu podjąć decyzję?
commencer à apprendre
Moet ik hier meteen een beslissing over nemen?
Ja, we moeten het vandaag weten. | Nee, u kunt er rustig over nadenken.
beslissing
Kunt u me even met ___ laten?
Czy może mi pan dać chwilę spokoju?
commencer à apprendre
Kunt u me even met rust laten?
Sorry, natuurlijk. | Geen probleem, ik loop wel even weg.
rust
Ik voel me hier niet ___ bij.
Nie czuję się z tym komfortowo.
commencer à apprendre
Ik voel me hier niet prettig bij.
Dat begrijp ik, we stoppen ermee. | Wat zou je liever anders zien?
prettig
Kunnen we het bij de ___ houden?
Czy możemy trzymać się faktów?
commencer à apprendre
Kunnen we het bij de feiten houden?
Ja, laten we rustig blijven. | Ik wil ook vertellen hoe ik me erbij voel.
feiten
Zou je me niet steeds willen ___?
Czy możesz przestać mi ciągle przerywać?
commencer à apprendre
Zou je me niet steeds willen onderbreken?
Sorry, je hebt gelijk. | Excuses, maak je verhaal maar af.
onderbreken
Ik wil hier liever niet over ___.
Wolałbym o tym nie rozmawiać.
commencer à apprendre
Ik wil hier liever niet over praten.
Dat snap ik, geen probleem. | Natuurlijk, laten we van onderwerp veranderen.
praten
Kun je dat op een ___ toon zeggen?
Czy możesz powiedzieć to spokojniejszym tonem?
commencer à apprendre
Kun je dat op een rustigere toon zeggen?
Ja, sorry, ik was wat geïrriteerd. | Je hebt gelijk, ik zal wat rustiger praten.
rustigere
Zullen we dit ___ even onderbreken?
Może na chwilę przerwiemy tę rozmowę?
commencer à apprendre
Zullen we dit gesprek even onderbreken?
Ja, dat lijkt me verstandig. | Liever niet, laten we het eerst afronden.
gesprek
Is er onverwacht iets ___?
Czy coś niespodziewanie wypadło?
commencer à apprendre
Is er onverwacht iets tussengekomen?
Ja, ik moest plotseling weg. | Nee, alles loopt volgens plan.
tussengekomen
Waarom loopt alles zo ___?
Dlaczego wszystko tak się przedłuża?
commencer à apprendre
Waarom loopt alles zo uit?
We zijn later begonnen. | Er kwam een probleem tussendoor.
uit
Kunnen we het voor nu even laten ___?
Możemy na razie zostawić tę sprawę?
commencer à apprendre
Kunnen we het voor nu even laten rusten?
Ja, we pakken het morgen op. | Nee, ik wil het liever nu oplossen.
rusten
___ het aan mij of duurt dit erg lang?
Czy mi się wydaje, czy to strasznie długo trwa?
commencer à apprendre
Ligt het aan mij of duurt dit erg lang?
Nee, het duurt inderdaad langer dan normaal. | Het valt mee, we zijn bijna klaar.
Ligt
Kunt u me op tijd ___ als er iets verandert?
Czy może mnie pan uprzedzić na czas, jeśli coś się zmieni?
commencer à apprendre
Kunt u me op tijd waarschuwen als er iets verandert?
Ja, ik laat het meteen weten. | Ik kan het niet beloven, maar ik doe mijn best.
waarschuwen
Is de afspraak per ongeluk ___ geboekt?
Czy przypadkiem zarezerwowano termin podwójnie?
commencer à apprendre
Is de afspraak per ongeluk dubbel geboekt?
Ja, dat is helaas gebeurd. | Nee, er staan twee verschillende afspraken.
dubbel
Komt er vandaag nog iemand ___?
Czy ktoś jeszcze dzisiaj przyjdzie?
commencer à apprendre
Komt er vandaag nog iemand langs?
Ja, de monteur komt na drie uur. | Nee, we hebben niemand ingepland.
langs
Kan ik nog op uw hulp ___?
Czy mogę nadal liczyć na pana pomoc?
commencer à apprendre
Kan ik nog op uw hulp rekenen?
Ja, natuurlijk, we helpen u verder. | Nee, wij kunnen u hier helaas niet mee helpen.
rekenen
Is dit een ___ probleem?
Czy to jednorazowy problem?
commencer à apprendre
Is dit een eenmalig probleem?
Ja, normaal gebeurt dit nooit. | Nee, dit speelt al langer.
eenmalig
Wat ___ er als we niets doen?
Co się stanie, jeśli nic nie zrobimy?
commencer à apprendre
Wat gebeurt er als we niets doen?
Dan wordt het probleem waarschijnlijk groter. | Misschien verandert er niets, maar dat weten we niet.
gebeurt
Kun je uitleggen waarom je zo ___?
Czy możesz wyjaśnić, dlaczego tak reagujesz?
commencer à apprendre
Kun je uitleggen waarom je zo reageert?
Ik voel me niet serieus genomen. | Ik schrok gewoon van wat je zei.
reageert
Heb ik je daarmee ___?
Czy tym cię uraziłem?
commencer à apprendre
Heb ik je daarmee gekwetst?
Ja, dat kwam hard aan. | Nee hoor, ik snap wat je bedoelt.
gekwetst
Mogen we het hierover ___ zijn?
Możemy mieć w tej sprawie odmienne zdania?
commencer à apprendre
Mogen we het hierover oneens zijn?
Natuurlijk, dat mag. | Ik wil je mening respecteren, maar hierover moeten we samen beslissen.
oneens
Wat bedoel je met die ___?
Co masz na myśli, mówiąc coś takiego?
commencer à apprendre
Wat bedoel je met die opmerking?
Ik bedoelde het niet vervelend. | Ik was eigenlijk gewoon verbaasd.
opmerking
Waarom trek je die ___?
Dlaczego wyciągasz taki wniosek?
commencer à apprendre
Waarom trek je die conclusie?
Omdat ik dit al eerder heb meegemaakt. | Ik had misschien te weinig informatie.
conclusie
Kunnen we elkaar even laten ___?
Możemy pozwolić sobie nawzajem dokończyć wypowiedzi?
commencer à apprendre
Kunnen we elkaar even laten uitpraten?
Ja, sorry, ga verder. | Je hebt gelijk, ik onderbrak je.
uitpraten
Is er iets wat je ___?
Czy coś cię gryzie / martwi?
commencer à apprendre
Is er iets wat je dwarszit?
Ja, ik maak me ergens zorgen over. | Nee hoor, ik ben alleen moe.
dwarszit
Zit je hier nog steeds ___?
Czy nadal się tym przejmujesz?
commencer à apprendre
Zit je hier nog steeds mee?
Ja, het houdt me bezig. | Nee, ik heb het achter me gelaten.
mee
Zullen we proberen dit uit te ___?
Może spróbujemy sobie wszystko wyjaśnić?
commencer à apprendre
Zullen we proberen dit uit te praten?
Ja, dat lijkt me goed. | Ik wil eerst even tot rust komen.
praten
Vind je dat ik te ver ben ___?
Czy uważasz, że posunąłem się za daleko?
commencer à apprendre
Vind je dat ik te ver ben gegaan?
Ja, die opmerking ging te ver. | Nee, ik denk dat het een misverstand was.
gegaan
Weet u waar ik ___ voor hulp?
Czy wie pan, gdzie mogę zwrócić się po pomoc?
commencer à apprendre
Weet u waar ik terechtkan voor hulp?
Bij de balie aan het einde van de gang. | U kunt het beste de klantenservice bellen.
terechtkan
Kunt u even bij me ___?
Czy może pan chwilę ze mną zostać?
commencer à apprendre
Kunt u even bij me blijven?
Ja hoor, ik blijf hier. | Ik haal meteen iemand die kan helpen.
blijven
Is het hier ___ om te wachten?
Czy bezpiecznie jest tutaj czekać?
commencer à apprendre
Is het hier veilig om te wachten?
Ja, hier is voldoende verlichting. | Nee, u kunt beter binnen wachten.
veilig
Kunt u iemand erbij ___?
Czy może pan kogoś zawołać do pomocy?
commencer à apprendre
Kunt u iemand erbij roepen?
Ja, ik haal mijn collega. | Sorry, ik ben hier alleen, maar ik kan iemand bellen.
roepen
Waar is de ___ uitgang?
Gdzie jest najbliższe wyjście?
commencer à apprendre
Waar is de dichtstbijzijnde uitgang?
Daar rechts achter de deur. | Loop rechtdoor en ga dan linksaf.
dichtstbijzijnde
Moet ik hier even aan de ___ gaan?
Czy powinienem się tutaj odsunąć?
commencer à apprendre
Moet ik hier even aan de kant gaan?
Ja graag, dan kan iedereen erlangs. | Nee hoor, u staat prima.
kant
Ik ben mijn tas even uit het ___ verloren.
Na chwilę straciłem swoją torbę z oczu.
commencer à apprendre
Ik ben mijn tas even uit het oog verloren.
Waar hebt u die voor het laatst gezien? | Dan kijken we samen even rond.
oog
Is er ergens een ___ plek waar ik kan zitten?
Czy jest gdzieś spokojne miejsce, gdzie mogę usiąść?
commencer à apprendre
Is er ergens een rustige plek waar ik kan zitten?
Ja, achterin is een wachtruimte. | Helaas is het hier overal vrij druk.
rustige
Moet ik hiervoor direct iemand ___?
Czy muszę natychmiast kogoś powiadomić / wezwać?
commencer à apprendre
Moet ik hiervoor direct iemand inschakelen?
Ja, meld het meteen bij de receptie. | Nee, u kunt dit morgen doorgeven.
inschakelen
Kunt u me vertellen wat ik nu het ___ kan doen?
Czy może mi pan powiedzieć, co najlepiej teraz zrobić?
commencer à apprendre
Kunt u me vertellen wat ik nu het beste kan doen?
Blijf hier even wachten, ik zoek het uit. | Ga naar de balie, daar helpen ze u.
beste

Vous devez vous connecter pour poster un commentaire.