|
question |
réponse |
Weet u waar het station ___? Czy wie pan, gdzie znajduje się dworzec? commencer à apprendre
|
|
Weet u waar het station ligt? Ja, twee straten verderop. | Sorry, ik ben hier niet bekend.
|
|
|
Is dit de weg naar het ___? commencer à apprendre
|
|
Is dit de weg naar het centrum? Ja, als u rechtdoor loopt. | Nee, u moet de andere kant op.
|
|
|
|
commencer à apprendre
|
|
Hoe kom ik bij het station? Ga bij het stoplicht linksaf. | Loop rechtdoor tot aan de rotonde.
|
|
|
|
commencer à apprendre
|
|
Ja, hier rechtsaf. | Nee, bij de volgende straat.
|
|
|
|
commencer à apprendre
|
|
Nee, ongeveer vijf minuten. | Ja, je kunt beter de bus nemen.
|
|
|
Czy mogę tam dojść pieszo? commencer à apprendre
|
|
Kan ik daar te voet komen? Ja, het is vlakbij. | Nee, dat is behoorlijk ver lopen.
|
|
|
|
commencer à apprendre
|
|
Ja, blijf rechtdoor lopen. | Nee, je bent al te ver gelopen.
|
|
|
Ligt de bushalte om de ___? Czy przystanek jest za rogiem? commencer à apprendre
|
|
Ligt de bushalte om de hoek? Ja, naast de supermarkt. | Nee, aan de andere kant van het plein.
|
|
|
Gdzie mogę bezpiecznie przejść przez ulicę? commencer à apprendre
|
|
Waar kan ik veilig oversteken? Bij het zebrapad verderop. | Aan de overkant van het kruispunt.
|
|
|
Czy jest tutaj przejście dla pieszych? commencer à apprendre
|
|
Ja, iets verderop. | Nee, volgens mij niet.
|
|
|
Waar is de ___ van het station? Gdzie jest wejście na dworzec? commencer à apprendre
|
|
Waar is de ingang van het station? Aan de voorkant van het gebouw. | Naast de fietsenstalling.
|
|
|
|
commencer à apprendre
|
|
Aan het einde van de gang. | Neem de trap naar beneden.
|
|
|
Heb ik de ___ straat genomen? Czy skręciłem w złą ulicę? commencer à apprendre
|
|
Heb ik de verkeerde straat genomen? Ja, je moet één straat terug. | Nee hoor, je loopt goed.
|
|
|
Czy może mi pan wyjaśnić to jeszcze raz? commencer à apprendre
|
|
Kunt u dat nog eens uitleggen? Natuurlijk, u moet hier linksaf. | Ja hoor, volg de borden naar het centrum.
|
|
|
Czy mogę tutaj przejść na drugą stronę? commencer à apprendre
|
|
Ja, bij de verkeerslichten. | Nee, hier is het te gevaarlijk.
|
|
|
Van welk ___ vertrekt de trein? Z którego toru odjeżdża pociąg? commencer à apprendre
|
|
Van welk spoor vertrekt de trein? Van spoor vier. | Dat staat op het vertrekbord.
|
|
|
Is dit de trein ___ Utrecht? Czy to pociąg do Utrechtu? commencer à apprendre
|
|
Is dit de trein naar Utrecht? Ja, dat klopt. | Nee, die vertrekt van het andere perron.
|
|
|
Czy ten pociąg jedzie bezpośrednio? commencer à apprendre
|
|
Rijdt deze trein rechtstreeks? Ja, je hoeft niet over te stappen. | Nee, je moet één keer overstappen.
|
|
|
O której odjeżdża pociąg? commencer à apprendre
|
|
Hoe laat vertrekt de trein? Over tien minuten. | Hij vertrekt later door een storing.
|
|
|
Hoe laat ___ de trein aan? O której przyjeżdża pociąg? commencer à apprendre
|
|
Hoe laat komt de trein aan? Om kwart over drie. | Volgens het bord over vijf minuten.
|
|
|
Czy muszę się po drodze przesiąść? commencer à apprendre
|
|
Moet ik onderweg overstappen? Ja, één keer. | Nee, je kunt blijven zitten.
|
|
|
Gdzie muszę się przesiąść? commencer à apprendre
|
|
Waar moet ik overstappen? Op het volgende station. | Bij het eindpunt van deze lijn.
|
|
|
|
commencer à apprendre
|
|
Is de trein al vertrokken? Ja, net een minuut geleden. | Nee, hij staat er nog.
|
|
|
Czy pociąg ma opóźnienie? commencer à apprendre
|
|
Heeft de trein vertraging? Ja, ongeveer een kwartier. | Nee hoor, hij rijdt op tijd.
|
|
|
Czy jest inne połączenie? commencer à apprendre
|
|
Is er een andere verbinding? Ja, via een ander station. | Nee, op dit moment helaas niet.
|
|
|
Is de volgende trein ___? Czy następny pociąg został odwołany? commencer à apprendre
|
|
Is de volgende trein uitgevallen? Ja, er rijden vervangende bussen. | Nee, hij heeft alleen vertraging.
|
|
|
Czy ten pociąg jedzie dalej? commencer à apprendre
|
|
Gaat deze trein nog verder? Ja, tot het eindstation. | Nee, iedereen moet hier uitstappen.
|
|
|
Op welk spoor komt de trein ___? Na który tor wjeżdża pociąg? commencer à apprendre
|
|
Op welk spoor komt de trein aan? Op spoor twee. | Dat is nog niet bekend.
|
|
|
Kunt u zien welke trein ik moet ___? Czy może pan sprawdzić, który pociąg mam wziąć? commencer à apprendre
|
|
Kunt u zien welke trein ik moet nemen? Ja, de intercity van tien over twee. | Vraag het even bij de informatiebalie.
|
|
|
Moet ik op dit perron ___? Czy mam zostać na tym peronie? commencer à apprendre
|
|
Moet ik op dit perron blijven? Ja, de trein komt hier. | Nee, je moet naar de overkant.
|
|
|
|
commencer à apprendre
|
|
Ja, de deuren zijn nog open. | Nee, de trein vertrekt al.
|
|
|
Czy powinienem tutaj wysiąść? commencer à apprendre
|
|
Ja, dit is jouw halte. | Nee, nog één halte verder.
|
|
|
Waar kan ik een ___ kopen? commencer à apprendre
|
|
Waar kan ik een kaartje kopen? Bij de automaat. | Dat kan ook in de app.
|
|
|
Wilt u een enkele reis of een ___? Czy chce pan bilet w jedną stronę czy powrotny? commencer à apprendre
|
|
Wilt u een enkele reis of een retour? Een enkele reis, graag. | Een retourtje, alstublieft.
|
|
|
Czy już się pan odprawił (odbił kartę)? commencer à apprendre
|
|
Ja, bij het poortje. | Nee, dat ben ik vergeten.
|
|
|
Czy muszę się tutaj jeszcze wyrejestrować (odbić kartę)? commencer à apprendre
|
|
Moet ik hier nog uitchecken? Ja, bij die paal daar. | Nee, je bent al uitgecheckt.
|
|
|
Kunt u uw kaartje even laten ___? Czy może pan pokazać bilet? commencer à apprendre
|
|
Kunt u uw kaartje even laten zien? Natuurlijk, hier is het. | Momentje, ik kan het niet vinden.
|
|
|
Czy moja karta OV-chipkaart tutaj działa? commencer à apprendre
|
|
Werkt mijn OV-chipkaart hier? Ja, die kunt u gebruiken. | Nee, u hebt een ander ticket nodig.
|
|
|
Czy ten bilet jest jeszcze ważny? commencer à apprendre
|
|
Is dit kaartje nog geldig? Ja, tot vanavond. | Nee, het is verlopen.
|
|
|
Ile kosztuje bilet tam i z powrotem? commencer à apprendre
|
|
Dat hangt af van de afstand. | Ik kan de prijs even opzoeken.
|
|
|
Czy mogę zmienić termin biletu? commencer à apprendre
|
|
Kan ik mijn kaartje omboeken? Ja, via de website. | Nee, dit kaartje kunt u niet wijzigen.
|
|
|
|
commencer à apprendre
|
|
Ja, een maandabonnement. | Nee, ik koop losse kaartjes.
|
|
|
Czy to miejsce jest zarezerwowane? commencer à apprendre
|
|
Is deze stoel gereserveerd? Ja, vanaf het volgende station. | Nee hoor, ga gerust zitten.
|
|
|
|
commencer à apprendre
|
|
Ja hoor, deze plek is vrij. | Sorry, hier zit al iemand.
|
|
|
Czy jest tu jeszcze miejsce? commencer à apprendre
|
|
Ja, kom maar zitten. | Nee, het is helemaal vol.
|
|
|
Czy może pan przestawić torbę? commencer à apprendre
|
|
Kunt u uw tas even verplaatsen? Ja hoor, geen probleem. | Sorry, ik heb nergens anders ruimte.
|
|
|
Kan ik mijn koffer hier ___? Czy mogę tutaj postawić walizkę? commencer à apprendre
|
|
Kan ik mijn koffer hier neerzetten? Ja, zolang het gangpad vrij blijft. | Nee, daarvoor is verderop een rek.
|
|
|
Czy chce pan siedzieć przy oknie? commencer à apprendre
|
|
Wilt u bij het raam zitten? Ja graag, als dat kan. | Nee, liever aan het gangpad.
|
|
|
Van welke ___ vertrekt de bus? Z którego przystanku odjeżdża autobus? commencer à apprendre
|
|
Van welke halte vertrekt de bus? Van halte C. | Aan de overkant van het plein.
|
|
|
Gaat deze bus naar het ___? Czy ten autobus jedzie do centrum? commencer à apprendre
|
|
Gaat deze bus naar het centrum? Ja, je bent er zo. | Nee, je moet een andere lijn nemen.
|
|
|
Moet ik op de ___ drukken? Czy muszę nacisnąć przycisk? commencer à apprendre
|
|
Moet ik op de knop drukken? Ja, voor de volgende halte. | Nee, dit is het eindpunt.
|
|
|
Czy to ostatni przystanek? commencer à apprendre
|
|
Ja, iedereen moet uitstappen. | Nee, er komen nog twee haltes.
|
|
|
Hoeveel haltes zijn het ___? commencer à apprendre
|
|
Hoeveel haltes zijn het nog? Nog drie haltes. | Volgens mij nog twee.
|
|
|
Stopt de bus bij het ___? Czy autobus zatrzymuje się przy szpitalu? commencer à apprendre
|
|
Stopt de bus bij het ziekenhuis? Ja, vlak bij de hoofdingang. | Nee, je moet nog een stukje lopen.
|
|
|
Rijdt deze tram ook 's ___? Czy ten tramwaj kursuje też wieczorem? commencer à apprendre
|
|
Rijdt deze tram ook 's avonds? Ja, tot vrij laat. | Nee, alleen overdag.
|
|
|
|
commencer à apprendre
|
|
Ja, stap maar in. | Nee, gebruik de voorste deur.
|
|
|
|
commencer à apprendre
|
|
Bij de derde halte. | Bij het museum.
|
|
|
Czy mogę się jeszcze zabrać? commencer à apprendre
|
|
Ja, stap maar in. | Nee, de bus zit helaas vol.
|
|
|
Is dit de bus richting het ___? Czy to autobus w kierunku ratusza? commencer à apprendre
|
|
Is dit de bus richting het stadhuis? Ja, die stopt daar. | Nee, die moet je aan de overkant hebben.
|
|
|
|
commencer à apprendre
|
|
Is er vandaag een omleiding? Ja, de bus rijdt een andere route. | Nee, alles rijdt volgens de normale route.
|
|
|
Jak długo to mniej więcej potrwa? commencer à apprendre
|
|
Hoe lang duurt het ongeveer? Een minuut of twintig. | Door de drukte misschien wat langer.
|
|
|
Czy przyjedzie jeszcze autobus? commencer à apprendre
|
|
Ja, over tien minuten. | Nee, de laatste is al geweest.
|
|
|
Czy mogę zabrać rower ze sobą? commencer à apprendre
|
|
Ja, als er ruimte is. | Nee, fietsen zijn hier niet toegestaan.
|
|
|
Waar kan ik mijn fiets ___? Gdzie mogę zostawić/zaparkować rower? commencer à apprendre
|
|
Waar kan ik mijn fiets stallen? Bij de fietsenstalling. | Daar verderop staan fietsenrekken.
|
|
|
Waarom ___ de trein stil? commencer à apprendre
|
|
Waarom staat de trein stil? Er is een technische storing. | We wachten op een vrij spoor.
|
|
|
Hoe lang gaat de ___ duren? Jak długo potrwa opóźnienie? commencer à apprendre
|
|
Hoe lang gaat de vertraging duren? Dat is nog niet bekend. | Waarschijnlijk ongeveer een kwartier.
|
|
|
Czy jest transport zastępczy? commencer à apprendre
|
|
Is er vervangend vervoer? Ja, er rijden bussen. | Nee, op dit moment niet.
|
|
|
Skąd odjeżdża autobus zastępczy? commencer à apprendre
|
|
Waar vertrekt de pendelbus? Voor het station. | Bij de tijdelijke halte aan de overkant.
|
|
|
Weet u wat er aan de ___ is? Czy wie pan, co się stało? commencer à apprendre
|
|
Weet u wat er aan de hand is? Er is een technische storing. | Nee, er is nog niets bekend.
|
|
|
Wanneer rijden de treinen weer ___? Kiedy pociągi znów będą kursować normalnie? commencer à apprendre
|
|
Wanneer rijden de treinen weer normaal? Vanaf vier uur, zeggen ze. | Dat weten we nog niet.
|
|
|
|
commencer à apprendre
|
|
Heeft u een andere route? Ja, via het centrum. | Nee, helaas niet.
|
|
|
Czy zdążę jeszcze na czas? commencer à apprendre
|
|
Kan ik nog op tijd komen? Ja, als je nu vertrekt. | Nee, met deze vertraging wordt dat lastig.
|
|
|
Ik heb mijn tas laten ___. Zostawiłem gdzieś swoją torbę. commencer à apprendre
|
|
Ik heb mijn tas laten liggen. Waar hebt u hem voor het laatst gezien? | Vraag het even bij de afdeling gevonden voorwerpen.
|
|
|
Waar kan ik terecht voor gevonden ___? Gdzie mogę zapytać o rzeczy znalezione? commencer à apprendre
|
|
Waar kan ik terecht voor gevonden voorwerpen? Bij de servicebalie. | Dat kan via de website.
|
|
|
Heeft iemand mijn telefoon ___? Czy ktoś znalazł mój telefon? commencer à apprendre
|
|
Heeft iemand mijn telefoon gevonden? Ja, die ligt bij de balie. | Nee, we hebben niets ontvangen.
|
|
|
Czy ktoś może mi na chwilę pomóc? commencer à apprendre
|
|
Kan iemand me even helpen? Ja, wat is er aan de hand? | Sorry, ik heb nu haast.
|
|
|
Kunt u me bij het station ___? Czy może pan wysadzić mnie przy dworcu? commencer à apprendre
|
|
Kunt u me bij het station afzetten? Natuurlijk, geen probleem. | Daar mag ik niet stoppen, maar iets verderop wel.
|
|
|
Ile jeszcze potrwa jazda? commencer à apprendre
|
|
Hoe lang is het nog rijden? Nog ongeveer tien minuten. | Door de file duurt het wat langer.
|
|
|
Czy może pan wystawić paragon? commencer à apprendre
|
|
Kunt u een bonnetje geven? Natuurlijk, alstublieft. | Sorry, de printer doet het niet.
|
|
|
Kan ik met mijn ___ betalen? commencer à apprendre
|
|
Kan ik met mijn pinpas betalen? Ja hoor, dat kan. | Nee, helaas alleen contant.
|
|
|